Blog Algemeen

Inleiding:

Bud Abbott en Lou Costello waren samen een Amerikaans duo, met veel succes rond de tweede wereldoorlog, en speelden o.a. in een Broadway revue.

Een bekend sketch is ‘Who’s on First’ (wie staat er op het eerste); het gaat om 2 mannen die een baseballwedstrijd bijwonen, waaraan de spelers ‘who’,’what’ en ‘I don’t know’ meedoen.
En uiteraard leidt dat tot een eindeloze discussie/dialoog……..

De volgende discussie is min of meer gebaseerd op die dialoog, en laat de waanzin van deze tijd zien. Het is pijnlijk grappig. (ik heb hem vertaald, want kreeg hem in het Engels)

Bud     Je mag hier niet binnen

Lou      Waarom niet?

Bud     Wel, je bent niet gevaccineerd

Lou      Maar ik ben niet ziek!

Bud     Dat doet er niet toe

Lou      Maar waarom mag hij daar wel naar binnen?

Bud     Omdat hij gevaccineerd is

Lou      Maar hij is ziek!

Bud     Het is goed, iedereen hier is gevaccineerd

Lou      Wacht even. Zeg je dat iedereen hierbinnen gevaccineerd is?

Bud     Ja

Lou      Maar waarom kan ik dan niet naar binnen als iedereen gevaccineerd is?

Bud     Omdat je hen ziek maakt

Lou      Hoe kan ik ze ziek maken, als ik NIET ziek ben en zij gevaccineerd zijn?

Bud     Omdat je niet gevaccineerd bent

Lou      Maar zij zijn gevaccineerd

Bud     Maar ze kunnen nog ziek worden

Lou      Maar wat doet het vaccin dan?

Bud     Het vaccineert

Lou      Dus gevaccineerden kunnen geen COVID verspreiden?

Bud     Oh nee, dat kunnen ze net zo gemakkelijk als ongevaccineerden

Lou      Ik weet niet eens meer wat ik moet zeggen, Kijk, ik ben niet ziek

Bud     Oké

Lou      En die man die je binnen liet is ziek

Bud     Klopt

Lou      Dus waarom kan ik niet naar binnen?

Bud     Omdat je niet gevaccineerd bent

Lou      Ik vraag niet wie wel of niet gevaccineerd is

Bud     Ik vertel je hoe het is

Lou      Maakt niet uit, ik doe mijn masker op

Bud     Dat is goed

Lou      Kan ik nu naar binnen?

Bid      Absoluut niet

Lou      Maar ik heb een masker!

Bud     Maakt niet uit

Lou      Gisteren mocht ik binnen met een masker!

Bud     Weet ik

Lou      Waarom dan vandaag niet. Als je zegt omdat ik niet gevaccineerd ben, breek ik je arm

Bud     Hou je rustig man

Lou      Dus het masker is niet goed genoeg meer?

Bud     Nee, het is nog goed

Lou      Maar ik mag niet naar binnen?

Bud     Klopt

Lou      Waarom niet?

Bud     Omdat je niet gevaccineerd bent

Lou      Maar het masker voorkomt dat de virussen eruit komen

Bud     Maar mensen kunnen nog steeds je virussen oppikken

Lou      Maar ze zijn allemaal gevaccineerd

Bud     Ja, maar ze kunnen nog steeds ziek worden

Lou      Maar ik ben niet ziek!

Bud     Maar je kunt ze nog steeds ziek maken

Lou      Dus maaskers werken niet?

Bud     Maskers werken oké

Lou      Dus hoe kan ik in hemelsnaam mensen ziek maken als ik niet ziek ben en ik een
             masker draag?

Bud     Derde Honk!

Lou      Wacht, Wat?

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

In de serie ‘’Missing Links” op Gaia (een netflix-achtige instantie met wat meer aandacht voor het bewuster worden en spiritualiteit; ook met een abonnement) met Gregg Braden heeft Greg het met enige regelmaat over compassie.

Ook al omdat hij vertelt hoe het harmoniseren van hart en hersenen met behulp van compassie maakt dat we niet alleen zelf meer in harmonie komen, maar ook bij bijvoorbeeld ons onbewuste kunnen. Ik zal het daar over hebben in de blog over scheppen (aflevering 20 denk ik). Daar ook de uitleg over de harmonisatie.  

Hij vertelt dat sympathie betekent dat je ziet (herkent) dan de ander lijdt, dat empathie maakt dat je het lijden van de ander ervaart (identificatie met de lijdende), en compassie zou zijn dat je het lijden waarneemt, observeert, zonder erin betrokken te worden.

Deze uitleg nam ik in me op, maar het voelde niet als een complete uitleg. Compassie leek zoveel meer dan dat.

Ik was dan ook blij met de boeddhistische monnik Gelong Thubten die een wat vollediger uitleg gaf.

Compassie is volgens hem het expanderen ('uitzetten','vergroten') van het hart, het verbinden met alle zielen, puur, onvoorwaardelijk, één met allen. Dat is wat ik eerder miste. Deze definitie voldoet m.i. beter.

Eigenlijk zouden we allemaal compassie moeten hebben naar iedereen. Dat zou de wereld mooier maken. Maar dat is niet hoe het is.

Compassie wordt vaak begrensd, met name door het ego.

Er zijn volgens Thubten (Gelong schijnt monnik te betekenen, Thubten is zijn naam) 4 soorten begrenzing:

  1. Verwachtingen – vaak hebben we compassie met mensen, maar verdwijnt dat ineens als ze bijvoorbeeld ondankbaar zijn. Het blijkt dus in die gevallen zeker niet onvoorwaardelijk, we willen er iets voor terug, zoals dankbaarheid of erkenning.
  2. Voorkeuren – vaak hebben we wel compassie met de een en niet met de ander, we hebben duidelijke onze voorkeuren over mensen waarmee we wel of niet compassie hebben
  3. Vaak ook is compassie het gevolg van een emotionele trigger; als we beelden zien van mensen die ernstig lijden kunnen we compassie opbrengen, maar als het lijden wel meevalt is er geen compassie.
  4. Tenslotte kan compassie ook overweldigend zijn en ons machteloos, hulpeloos of boos en gefrustreerd maken omdat we er niets mee kunnen. Het kan ons ook ‘koud’ maken om dezelfde reden. Denk aan daklozen of bedelaars.

Je ziet, vaak is compassie beperkt tot bepaalde regels of op bepaalde voorwaarden. Terwijl compassie eigenlijk iets onvoorwaardelijks zou moeten zijn betrekking hebbende op iedereen.

We zouden het verborgen lijden moeten zien.

Wat dat betreft is compassie ook het niet oordelen als je niet weet waar je het over hebt.
Ik moet denken aan iemand die zich hufterig gedraagt, en waarvan je niet begrijpt waarom iemand dat doet. Het klopt zo niet met wat je zou verwachten of met wat je zelf zou doen. Alleen dat al zou moeten maken dat je je afvraagt waarom die ander zo anders reageert. Compassie maakt dat je niet oordeelt, maar nieuwsgierig bent.  

Ik mis die compassie vaak in onze wereld van vandaag. Compassie is te vaak begrensd door allerlei voorwaarden. Egoïsme beperkt compassie.

En niet te vergeten de 4e eerdergenoemde reden, het niet met het lijden om kunnen gaan.

Ik kan me herinneren dat we in een Belgische stad waren, ik weet niet meer welke, wellicht Brugge. En daar waren wat bedelaars. Soms ook vrouwen, die hun kinderen gebruikten als middel om te bedelen. Het maakte me boos. Iets soortgelijks maakte ik ook in een Duitse stad mee. De manier waarop gebedeld werd maakte me boos. Het was ‘overdone’.

Nu, achteraf, denk ik ‘waarom werd ik boos’? Doordat ik boos werd gaf ik ook niets aan die mensen. Ik had zoiets als ‘doe gewoon, stel je niet zo aan, probeer geen misbruik te maken van de goedheid van mensen’. Maar was dat wel terecht?
Misschien was dit wel hun manier om toch aan geld te komen (wat voor ons vreemd is omdat we denken dat het allemaal zo goed geregeld is qua steun en bijstand, maar is dat wel zo?).   

Mijn compassie werd beperkt in dit geval door frustratie. Ik kon er niets mee, ik wist niet wat ik ervan moest denken. Het stuitte me tegen de borst.

En ik zeg niet dat het goed of fout was, net zomin als het gedrag van die ander goed of fout was, maar mijn compassie – die er anders wel was geweest – werd dus beperkt door het m.i. overdreven gedrag van die andere waar IK niet mee om kon gaan. 

Overigens is compassie niet iets wat je voor een ander doet, je doet het misschien wel meer voor jezelf. Echte compassie maakt dat je je verbindt met het universum, met iedereen. Het maakt dat je beter bij de universele kennis kan, beter bij je eigen bron kan. Beter contact kunt maken met ‘hoe je het ook noemt’ (God, moeder natuur, het Universum, het Al, Allah, Boeddha, de Bron, etc.).

Compassie maakt dat je je beter voelt qua stemming, dat je je meer gesteund voelt, dat je je meer één voelt met al het andere, en dus krachtiger.

Je hoeft niet altijd de ander te begrijpen om toch compassie te hebben. Maar compassie volgt wel op sympathie en empathie. Je moet wel het lijden kunnen zien, herkennen; en je moet wel het lijden van de ander kunnen ervaren (en weer loslaten!).

Maar compassie is ook op dat punt een stuk prettiger, omdat je in tegenstelling tot empathie niet meelijdt, niet erin betrokken bent…..(en toch ook één bent).

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

Liemarvin Bonevacia (geboren Curacao) liep vandaag – 2 augustus 2021 – een halve finale op de 400 meter die ervoor zorgde dat er voor het eerst een Nederlander in de finale van die 400 meter op de Olympische Spelen staat. Ook nog in een nieuw Nederlands record.

Maar dat is niet waarom het een mooi mens is.

Ja, letterlijk is het een mooi mens om te zien, maar ook dat is niet wat ik bedoel.
De afgelopen jaren werd Churandy Martina (geboren Willemstad) ook regelmatig geïnterviewd en ook hij toonde zich een dankbaar en mooi mens. Ik genot van al die interviews. De inborst van deze twee mensen, de dankbaarheid, de manier waarop ze in het leven staan

Bonevacia had ik nog nooit gehoord. Vandaag voor het eerst.
Even voor de context voor wie niet gekeken hebben: er waren 3 halve finales waarop 7-8 lopers. Van elke halve finale gingen de eerste twee door en daarbij kwamen de twee die van de overige lopers de beste tijd liepen. In totaal dus 8 lopers naar de finale.
Liemarvin liep in de eerste halve finale, en werd derde. Hij was dus afhankelijk van de andere tijden en moest een tijdje wachten tot de andere halvefinalisten hadden gelopen.
Uiteindelijk was hij een van de twee ‘tijdsnelsten’ en stond in de finale.

Bij het interview was ie wild enthousiast, ongelooflijk blij.

Op de vraag of hij zich erg druk had gemaakt over het wachten op de uitslag, was zijn antwoord ongeveer “Nee, het is zoals God het wil, ik heb mijn uiterste best gedaan en wat het dan wordt is zoals het is”.

Dus je doet jouw werk, je uiterste best, je geeft alles, en dan…..
Dan geef je je over aan het grotere, aan ‘God’, aan het Universum, aan hoe je het ook wilt noemen en hoe je het ook ervaart. Het is niet (meer) in jouw handen.

Je kunt je dan enorm druk maken en winnen of doorgaan het allerbelangrijkst vinden, of je geeft je over. Het is allemaal goed, je kunt niet meer dan je uiterste best doen.

En “Als ik het niet gehaald had, dan was dat zo, dan was het ook goed”.

Gevoel voor betrekkelijkheid, voor bescheidenheid, voor dankbaarheid. Tevreden zijn met zoals het 'valt', wetende dat je niet meer kan doen dan je best. 

Hij bedankte letterlijk alles en iedereen (='God') voor zijn succes. Zelfs de kijkers, de verslaggevers, iedereen die hij maar kon bedenken. Dankbaarheid omdat er in hem werd geloofd.

En op de vraag of hij het ‘hogere’ om hulp had gevraag:
Nee, natuurlijk niet, je gaat God niet vragen een ander slechter te laten lopen zodat ik naar de finale kan”. “Iedereen verdient het te winnen en een finaleplaats te hebben”…

Een groot man. Een mooi mens. Iemand die me stil maakt.  

Een voorbeeld voor velen.

Liemarvin, wij moeten jou bedanken

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

De Olympische spelen zijn weer achter de rug.
De een zal het realistisch en de ander surrealistisch noemen, maar er was te weinig publiek (geen) en er waren te veel mondkapjes.

En wat ik vooral sneu vind is dat er nogal wat sporters werden uitgesloten van dat waar ze 5 jaar voor hadden getraind op basis van regeltjes die meer nattevingerwerk zijn dan gebaseerd op wetenschappelijke feiten. Bijvoorbeeld: je hebt je (al tegen je zin in) laten vaccineren omdat dan alle beperkingen zouden verdwijnen, hebt geen klachten, en kan dan toch niet meedoen omdat een test positief blijkt te zijn.

Bovendien werden alle sporters in een bad van stress gedompeld omdat ze telkens maar weer moesten afwachten of zij de volgende waren die positief zouden testen. ‘Kan ik wel afmaken waarvoor ik hier kwam, of moet ik straks ook naar het quarantaine-hotel?’.

Maar goed, dat was de negatieve kant.

Van die ander kant heb ik genoten. Met name van het plezier wat veel sporters hadden in wat ze deden. En van de diversiteit, niet alleen in soorten sport, maar ook in soorten mensen. In beleving.

Op alle mogelijke manieren verschilden sporters van elkaar, en op allerlei andere mogelijke manieren waren ze verbonden en gelijkgericht

De manieren waarop de emoties werden geuit door de verschillende sporters, zowel uit verdriet als uit vreugde. Ik heb veel tranen zien vloeien. En nog veel meer soorten uitingen van vreugde gezien.

Het was zowel teleurstellend als verfrissend om te zien dat in het land van de techniek en de perfectie de communicatie nogal eens te wensen overliet. Waardoor bijvoorbeeld de Nederlandse dameswielrensters wellicht het goud misliepen. It’s all-in the game.

Over wielrennen gesproken, die sport is een mooi voorbeeld van hoe je met samenwerking verder kunt komen. Enerzijds zie je dat als een ploeg of zelfs ploegen samenwerk(t)en om bijvoorbeeld iemand in te halen, dat vleugels geeft. En dat competitie – elkaar niet een overwinning gunnen – maakt dat uiteindelijk alleen degene die zich daaraan onttrekt kan winnen. De anderen worden vleugellam.

Maar de mooiste dingen van deze spelen waren die waar de mens in de sporter boven kwam drijven.

De laatste dag, het bijna laatste onderdeel, was de marathon voor mannen. Voor Nederland deden er 3 mensen mee in de bijna onmenselijke hitte van Sapporo (hoewel het bij de dames kennelijk nog warmer was). Een daarvan was Abdi Nageeye. Deze man is geboren in Mogadishu (Somalie), liep al langere tijd verschillende langere afstanden als Nederlander, en won in 2015 zijn eerste Nederlands Kampioenschap op de marathon. Hij heeft het Nederlands record in handen, en belandde de afgelopen jaren een aantal malen in de top 10 op internationale marathons. De vraag was of dat nu ook zou lukken in deze uitdagende weersomstandigheden (heet en hoge vochtigheidsgraad). Voor ik verder ga, moet ik zeggen dat deze atleet en stichting in het leven heeft geroepen om arme en kansloze kinderen in Somalië te helpen. Het zegt iets over het soort mens

Uiteindelijk bleven er steeds minder mensen over en liep er één man weg, de op dit moment ongenaakbare marathonloper Eliud Kipoche. Die ging alleen op weg naar goud. Daarachter dunde het steeds verder uit. Er bleven er 4 en later 3 over achter de koploper. Nageeye liet zich enige kilometers voor de finish even uitzakken en kwam weer terug. Hij voelde zich goed en dacht erover weg te lopen bij de anderen, maar bij die anderen zat ook zijn loopmaatje Abdi, een Belg. Die had het wat moeilijk. Dus besloot hij te blijven en hem aan te moedigen. Op de laatste honderden meters voor de finish hield hij zich zelfs in bij zijn sprint voor zilver om zijn maatje in woord en gebaar mee te trekken.

En zo kwam hij glunderend met een brede lach over de finish. Niet alleen omdat hij tweede was geworden, maar omdat hij ook zijn maatje aan een bronzen plak had geholpen….

Dat is ook sport. En wellicht hebben jullie ook de hoogspringers (mannen) gezien, een Italiaan en een Quatarees. Ze kenden elkaar al jaren en zo’n wereldje van topspringers is natuurlijk beperkt, je komt elkaar overal weer tegen. Maar toch.
Ze hadden allebei een zekere hoogte gespringen, en op de volgende hoogte haalden ze het allebei niet. En aan zo’n gouden plak zit ook nog een geldbedrag vast.

Ze zouden om de zege kunnen springen door toch weer op een andere hoogte die hoogte proberen te halen. Wie dat in de minste pogingen zou doen, zou dan goud winnen.

Ze praatten even met elkaar en toen de official begon uit te leggen wat de opties waren, werd hij in de rede gevallen met de vraag “kunnen we allebei goud hebben?”. Op zijn ja, maar…… werd hij verder genegeerd en vlogen de twee atleten elkaar om de nek om vervolgens ieder op hun eigen manier een feestje te maken, te springen, te rollen, te gillen, etc. Ze waren door het dolle heen. Ze gunden elkaar het goud zo erg, dat ze afzagen van een barrage, van een verdere strijd. Het elkaar goud gunnen maakten hen uitzinnig van vreugde.  

Wat ook mooi was om te zien bij deze spelen was dat er een aantal mensen waren die er een tijdje waren uit geweest omdat ze het niet meer zagen zitten, de stress te groot werd, of ze wilden uitzoeken of dit echt was wat ze wilden.

Mooi, omdat ze daarna met meer plezier terug waren gekomen. Omdat ze waren gaan inzien dat je vooral plezier moest hebben en dat trainen en keihard werken oké is als het maar onderdeel is van plezier.

Als je mijn blog over scheppen volgt, zal je herkennen dat plezier ook juist de voorloper is van succes. Sterker nog, een vereiste voor succes.

Mij viel op – maar ik keek misschien met een gekleurde bril – dat de mensen die veel plezier hadden, die relatief ontspannen de sport benaderden, het meest succesvol waren.

Hoe dan ook, ik heb van deze spelen bewuster en intenser genoten dan van vorige door onder andere bovengenoemde zaken.
En aangezien alle gekte van nu nog lang niet voorbij is en het de vraag is hoe Parijs 2024 eruit zal gaan zien, koester ik deze herinneringen alvast en hoop tegelijkertijd op een nog mooiere ervaring in 2024, hopelijk ontdaan van al die zaken die niets met sport te maken hebben.

Sporters, bedankt voor deze ervaringen, ik ben jullie oprecht dankbaar! 

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

Een van de dingen die ik leerde van alle informatie die met ‘scheppen’ te maken heeft, informatie van collectief bewustzijn, van verder geëvolueerde zielen, etc., is dat het geen enkele zin heeft mensen dingen te vertellen over iets waarin ze niet geïnteresseerd zijn.

Het komt gewoon niet binnen.

Ik weet nog hoe er rijtjes met voorzetsels met een bepaalde naamval (Duits) werden ingeramd door eindeloos die rijtjes met de klas op te dreunen. Babbel, een talenprogramma op internet, doet dat anders. Je leert daar spelenderwijs en intuïtief de naamval.
Deze twee manieren van leren zijn precies wat er wordt bedoeld. Het erin rammen van de rijtjes was niet geheel ineffectief, want sommige rijtjes weet ik nog, maar het was gespeend van elke interesse. De enige interesse was dat je een voldoende wilde halen. Was er meer interesse geweest, dan had het niet op die manier gehoeven. Dan had het spelenderwijs gekund.

Ik had een Engelse leraar, waar het vaak helemaal onder de les niet over Engels ging. Hij bestede veel tijd aan maatschappelijke zaken, aan fatsoen, aan persoonlijke ontwikkeling. En tegelijkertijd maakt hij daardoor het Engels als vak prettig en leerbaar. Mensen wilden ook wat voor hem doen.
Een geschiedenisleraar, bijna blind overigens, noemde zijn verhalen over geschiedenis de krenten in de pap of de balletjes in de soep. Door zijn verhalen maakte hij geschiedenis interessant, hoewel de jaartallen die je ook moest ophoesten daardoor bij mijn niet echt beter bleven hangen. Hij deed in elk geval zijn best.

Wat leerlingen opsteken van een leraar hangt dus ervan af of die leraar het vak of de lessen interessant weet te maken. Een leraar die er alleen staat om geld te verdienen en zijn/haar tijd uit te zitten, zal daartoe minder gemotiveerd zijn. 

En toch, het is een win-win-situatie!

Immers, als je als leerkracht je leerlingen of studenten weet te motiveren (niet door de onvoldoendes of door autoritair te zijn), en dan vooral door je lessen of je vak interessant te maken, dan halen je leerlingen of studenten niet alleen hogere cijfers, maar zal je ook minder last van – en minder moeite met – ze hebben omdat ze geïnteresseerd zijn en dus niet met andere dingen bezig zijn. Ze zullen leuke vragen stellen in plaats van 'vervelend' zijn. 

Zelfs op de universiteit werkte het. Er waren profs die hun boek ongeveer stonden voor te lezen en hun studenten in slaap kregen, zonder dat er enige informatie bleef hangen. En andere profs of docenten maakten hun vak interessant door voorbeelden te laten zien, patiënten te laten zien, dingen voor te doen, waardoor hun informatie bleef hangen. Zelfs als die informatie later in het leven niet bleek te kloppen. 

Zelf heb ik het ondervonden door in het begin zo enthousiast te zijn dat ik mensen ongevraagd advies gaf over bijvoorbeeld homeopathische of huis-tuin-en-keuken middelen. Ik dacht dat ik ze daar plezier mee deed. Maar het kwam niet binnen, mensen deden er niets mee.
Ik ben er toen mee gestopt onder het motto ‘als mensen iets willen weten, dan vragen ze het wel’, anders is/was het zonde van mijn energie.

De les voor de leraar: zorg dat mensen die je iets wilt leren geïnteresseerd zijn in wat je te vertellen hebt. Zorg eerst voor de interesse en begin dan pas de informatie te delen. Begin bijvoorbeeld met een verhaaltje, een mop, een metafoor, een anekdote die er iets mee te maken heeft, en ga dan over tot de 'les'. De oren staan dan open, de interesse heb je gewekt. 
 
Doe je dat niet, dan verdoe je je tijd en die van de leerlingen. Het kost jezelf veel meer energie en je krijgt er veel minder voor terug qua resultaat. Je maakt je vak voor jezelf moeilijker.

Wat is leren toch fantastisch……..

P.S. Ik moet ineens denken aan die verjaardagen waar mensen hele verhalen zitten te vertellen tegen je waarin je totaal niet geïnteresseerd bent......... (maar......als je jezelf vertelt dat je wel geïnteresseerd bent of er iets van kunt leren, maak je het jezelf een stuk makkelijker). 

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn